Archief voor de Westhoek in St.-Omer
De heerlijkheid van het Vrije van St.Omaars
door
Pieter Donche
- met dank
aan de auteur en de redactie van Westhoek vzw voor de toestemming tot overname
van -
- deze bijdrage uit Westhoek, Tijdschrift voor geschiedenis & familiekunde
in de Vlaamse & Franse Westhoek, -
- jaargang 14, 1998, nr. 4, p. 165-174 -
Wie zijn genealogie méér wil stofferen dan alleen met
gegevens uit de parochieregisters en de voorouders ook tot leven wil laten
komen door biografische gegevens over hen te verstrekken, dient hiervoor een
brede waaier van bronnen te raadplegen. Staten van goed, wettelijke passeringen
leren ons een en ander over het onroerend (soms ook roerend) bezit. Situering
van woonplaatsen kan aan de hand van straat- en beekschouwingen, landboeken,
renteboeken, leenregisters, denombrementen enz... Ook uit rekeningen allerhande
(bv. parochie, stad, kasselrij) is vaak bruikbare informatie te halen.
Belastingsdocumenten (van velerlei aard) kunnen ook bruikbare informatie
opleveren. En uiteraard ook het archief van kerkfabrieken. Maar veel van deze
archiefstukken behoren tot het lokaal georienteerd archief en dit kan nogal
fragmentarisch of op den dool zijn. Zeker wanneer het grondgebied van het dorp
waar die voorouders verbleven, behoorde tot één of meer heerlijkheden.
Archief van heerlijkheden dient men in principe te
zoeken bij de eigenaar(s) van de heerlijkheid. Heerlijkheden in bezit van particulieren
werden overgeërfd (soms verkocht) en met de heerlijkheid ging ook het archief
naar de nieuwe eigenaars, die soms op geografisch verafgelegen plaatsen
verbleven. Wat bijgevolg het raadplegen van dit archief moeilijk maakt, als het
al niet verloren gegaan is. Archieven van adellijke families (die gelukkig
meer en meer overgedragen worden aan onze rijksarchiefdepots) bevatten
dikwijls massa's stukken betreffende het beheer van allerlei heerlijkheden.
Indien de eigenaar van de heerlijkheid een kerkelijke
instelling was (bv. een kapittel, een abdij), heeft men iets meer geluk, daar
deze instellingen heel wat ‘honkvaster’ waren en geen geografische
bokkesprongen maakten. Bovendien zijn archieven van kerkelijke instellingen
meestal op zichzelf al beter aangelegd, beheerd en bewaard geworden1.
Maar ook hier geldt dat de eigenaar van de
heerlijkheid geografisch soms erg veraf van zijn heerlijke bezittingen te
situeren valt. Maar het kan wel de moeite lonen om op onderzoek uit te gaan,
zelfs wanneer het archief zich nu in het buitenland bevindt.
Dit deden we bv. voor
het archief van de heerlijkheid het Vrije van St.-Omaars dat zich in diverse
parochies in de kasselrij Veurne uitstrekte.
In zijn "Annalen
van Veurne, beschrijving der prochien en leenhoven of Beschrijvinghe van de
prochien binnen de casselrye van Veurne", vermeldt de Veurnse
kroniekschrijver Pauwel Hendrickx (1633-1683) onder Alveringem.
Een
groot deel van deze prochie heeft altydts een heerelyckhede geweest
toebehoorende aen `t capittel van Sinte Omaers by ghefte van Aldalphridus ende
is genaemt het Vrye van Sinte Omars. Sy deden hooge middel en nader justitie.
Is een splete ende brancke contribuerende met de achte prochien. Maer ten jaere
1604 heeft het voornoemde capittel deze jurisdictie verkocht aen het
magistraet van de stad ende casselrie van Ueuren, alleenlyk behoudende tytel
van heere ende jurisdictie fonsiere van hun lieden heerelykhede mitsgaeders t'
inkommen van de grontrenten, relieven, huysrenten, landen ende thienden daer
mede gaende2.
De bezittingen van dit kapittel waren hoofdzakelijk
gelegen in Alveringem3,
Lampernisse, Oostkerke en Adinkerke, naast kleinere bezittingen in Oudekapelle,
St.-Katharinakapelle, Pervijze, Zoutenaaie en Lo. Het geheel werd het leenhof
‘t Vrije van Sint-Omaars genoemd. Een groot deel van de parochie Alveringem,
zelf de grootste parochie in Veurne-Ambacht, behoorde tot dit leenhof (de grote
tienden werden geheven in niet minder dan 42 ‘hoeken’ ). De kanunnikken van het
kapittel hadden dan ook te Alveringem een dubbel cirkelvormig omwald kasteel
nabij de dorpskern4. Naast bezittingen in
andere delen van Vlaanderen, had dit kapittel nog zeer uitgestrekte
bezittingen in tal van plaatsen in Artesië.
Het archief van de Sint-Bertijnsabdij van St.-Omaars
bevindt zich thans in de stedelijke bibliotheek, Rue Gambetta 40 te St.Omer
(France, dépt. Pas-de-Calais). In 1997 werd dit gebouw volledig gerenoveerd met
financiële steun van het Département Pas-de-Calais, zodat thans in de
voormalige kloostergang een stemmige leeszaal ingericht is. Het archief wordt
bewaard op het gelijkvloers daarnaast (naar horen zeggen ooit op de zolder
boven de bibliotheek onder een lek dak ...) en is ter plaatse raadpleegbaar5. Het wordt toch nog steeds
stiefmoederlijk behandeld: een eigen historicus-archivaris is er niet, het
beheer valt mede onder de taken van de bibliothecaris... Op de eerste verdieping
is de zeer rijke bibliotheek op superbe manier gerestaureerd: naar onze
geschatte telling zo'n 25.000 oude banden zijn in de grote zaal, alle wanden
rondomrond tot zo'n 13 planken hoog, in hun historische oude rekken tot tegen
het plafond gerangeerd. Lijkt de materiële toestand van bibliotheek en archief
er erg op vooruit gegaan te zijn, dan kan dit niet gezegd worden van de
‘geestelijke’ toestand, waarmee we bedoelen, de inventaris van het archief van
het kapittel van St.-Omaars.
Een handschriftelijke inventaris, samengesteld door
A. Giry (°1807, + 1869) telde 1.566 pagina's, maar was onvoltooid gebleven: van
de 3.690 items die moesten worden beschreven, werden er slechts 2.230 opgenomen
6. Daarvan werd in 1967 een getypte kopie
gemaakt in 8 volumes, met aanvullingen door Alain Derville7.Toen
die het archief bestudeerde vond hij het in wanordelijke toestand, die hij weet
aan de veelvuldige verhuizingen, een begin van plundering tijdens Wereldoorlog
II en aan het feit dat het een geheel betrof, waarin nog lang niet alle stukken
reeds een inventarisnummer hadden gekregen.
Ook het laconisme van de handschriftelijke inventaris
heeft de herintegratie van stukken zeer moeilijk, vaak onmogelijk gemaakt. Dat
dit laconisme geen overdreven term is, mag blijken uit een volgende
bloemlezing van beschrijvingen van enkele nummers: Saint-Bertin?, procès, 103
fragments sans date, documents en anglais, en natuurlijk ook voor de Vlaamsonkundigen:
documents en flamand, of non inventorié (il peut s'y trouver des épaves du fond
de la ville). Maar het nietszeggende kan ook veel korter en krachtiger zoals in:
"XXV ???" tot zelfs: “......” .
Alain Derville gebruikte voor deze voor hem niet
herintegreerbaar gebleken stukken dan ook de ‘voorlopige’ inventarisnummers
3.070 tot 3.700. Dertig jaar later is deze voorlopige toestand nog steeds de
actuele.
Volgens aanduidingen in potlood in de getypte
inventaris werd op 18 juli 1985 blijkbaar eens een recollement uitgevoerd waarbij
na afloop 172 nummers bleken te ontbreken... Maar wellicht heeft men zich in
dit recollement beperkt tot het puur nakijken of met elk nummer in de getypte
inventaris ook wel een fysiek pak of stuk in het depot correspondeerde. Zonder
erbij te denken dat fysiek ontbrekende stukken misschien wel eens onder de
`niet-geherintegreerde' stukken met inventarisnummers 3.070 tot 3.700 konden verscholen
zitten.
Alvast van enkele stukken die met potlood bij dit
recollement in de getypte inventaris gebrandmerkt werden met manque, bleek de
beschrijving wel degelijk overeen te stemmen met de inhoud van enkele pakken
die in de aanvullingen van Alain Derville uit 1967 beschreven werden.
In de inventaris interesseert ons natuurlijk vooral
de possessions en Flandre, We vinden er inderdaad archief over de hele periode
van het Ancien Régime. (inventarisnummers II.G. 3.408 tot 3.506 uit de
inventaris Giry, met ook nog aanvullingen in de inventaris Derville) En het
archief gaat ook heel ver in de tijd terug: zelfs voor de tweede helft van de
l5de eeuw is heel wat bewaard, niet alleen in losse stukken, maar ook in grote
semi-aaneensluitende reeksen. Zij het dat deze bijna-aaneensluitende reeksen
soms voor een ene helft (op verschillende plaatsen) onder de inventaris Giry te
vinden zijn en voor de andere helft onder de aanvullende inventaris van
Derville.
Zo bv. voor de rekeningen van deze heerlijkheid: de
nummers II.G.3409 en 3410 bevatten onder de omschrijving Comptes Furnambacht de
jaarrekeningen (beginnend in) 1453, 1457-63, 1465-66, 1468, 1471, 1474, 1476,
1503, 1517, 1521-23, 1525, 1528-29, 1531-32, 1534-35, 1545, 1553, 1555-57,
1560, 1565, 1567, 1573-1575, 1582-84, 1598-99 terwijl nummer II.G.3576 en
II.G.3577 onder de omschrijving Comptes de Foranités (c.à.d. comptes
d'Alveringem) enkele hiaten worden opgevuld doordat deze bundels de rekeningen
bevatten van 1446, 1464, 1467, 1470, 1472-1473, 1475, 1485 en 1488. 1501-02,
1505, 1508-09, 1512 en 1530. Terwijl onder de omschrijving ‘renten’ we onder
nr. II.G.2511 en 2512 dan weer rekeningen vinden van 1514, 1516, 1518-20,
1526-27, 1537-38, 1546-47,1552, 155859, 1561-64, 1566, 1568-70, 1572 en 1577.
Deze rekeningen zijn in de Franse taal gesteld. Toch
zijn we ervan overtuigd dat het vertalingen betreft van rekeningen opgesteld in
het Vlaams: voor het jaar 1471 vindt men alleen een rekening onder de vorm van
een (stuk van een) rolrekening in het Vlaams ! Terwijl de driejaarsrekening
over de periode Bamis 1582-Bamis 1585 ook in het Vlaams is. Maar dat men graag
vertaalde, blijkt wellicht ook uit het feit dat sommige rekeningen zelfs in het
Latijn zijn (1446, 1508-09, 1512), sommige voor de eerste helft in het Frans
en de tweede helft in het Latijn (1467) en voor hetjaar 1464 hebben we zowel
een Franse als een Latijnse versie. Aan scribenten had men in de abdij
blijkbaar geen gebrek...
Van de bewaarde rekeningen uit de l5de eeuw (op de
vroegst-bewaarde van 1446 na) is de ontvanger steeds Loys Donche (1457 tot
1489). Van de 1490'er jaren zijn er geen bewaard, maar voor het eerste
decennium van de l6de eeuw is de ontvanger Regnault Donche (1501-1508). Daarna
vinden de ontvangers Anthonis de Luxemburg, Joos Ternynx (in 1520 zijn hoirs
en weduwe), Achilles van der Burch, Adriaan van der Burch, Charles Peussin,
Robeert de le Bourg (=van der Burch), Gillis de Zot, Richard of Rijckaert
Clayssone, Marcx de Crauwelaere, Jan van Wijckhuis en Rijckaert Reyphins voor
de rest van de l6de eeuw.
Over de eerste ontvanger Lodewijk Donche zijn
volgende genealogische gegevens bekend:
Lodewijk Donche, huwde
Maria Heyndrickx en overleed in 1491 te Alveringem, waar hij in de kerk
begraven werd met grafschrift8.
In een charter van 27 april 1476 wordt hij vermeld
als baljuw van de deken en het kapittel van St.-Omaars en van hun ‘hernesse’
Oostscure, gelegen in Walravenkinderkerke (=Oostkerke bij Veurne)9. Aan het charter hangen nog vier zegels,
waarvan het eerste (volledig gaaf bewaarde) zijn zegel is10. Zijn zegel vinden we ook terug in een
charter uit 1472 11. Een ander charter van
21 mei 1479, vermeldt hem als baljuw van de heerlijkheid Nieuwkapelle,
optredend in naam van Dame Jacquemine vande Capelle, vrouwe van Halewijn en
vander Capelle12.
20 gedetailleerde jaarrekeningen, door hem opgemaakt,
over het beheer van de bezittingen van het kapittel van St.-Omaars in
Veurne-Ambacht zijn nog bewaard. Tot en met de rekening beginnend in 1464
ontving Lodewijk deze tienden gezamenlijk met Christiaan Bampoele, daarna
alleen. Naast de eigenlijke inning van de tienden, vereffende hij ook alle
kosten die hiermee gepaard gingen en stelde hij, telkenjare tegen Sint-Remi,
d.i. 1 october (in Vlaanderen Baefmis, Bamis (Sint-Bavo) genoemd) de
jaarrekening op.
Op eigen risico en kosten maakte hij daarna de reis
naar de stad Sint-Omaars in Artesië om de rekening en het kapitaal te bezorgen.
Hiervoor kreeg hij een salaris van 72 pond groten Vlaams en nog eens 6 pond om
wettelijck man geweest te zijn van het kapittel 13.
Van 1457 tot 1476 zijn de jaarrekeningen, op 1469 na,
aaneensluitend bewaard, daarna enkel nog voor de l5de eeuw, de rekeningen
beginnend 1485 en 1488. Maar de precieze periode waarover hij ontvanger was,
kennen we aan de hand van de stadsrekeningen van Lo die voor de periode
1425-1500 quasi compleet bewaard zijn 14.
Hier staat hij immers ook vermeld als ontvanger van het kapittel van St.-Omaars
van hun erfelijke rente op enkele huizen gelegen in Lo. We vinden hem in de
rekeningen (beginnend in) 1457 tot 1488, met andere woorden, gedurende een
ononderbroken periode van niet minder dan 31 jaar 15.
Lodewijk had drie zonen: Roeland, Jacob en Renault.
Roeland en Renault waren schepen-keurheer van de kasselrij Veurne. In het
schepenjaar 1495-96 vinden we in de stadsrekeningen van Lo een Roelandt Donche,
ontfangher van de cappitle van StOmaers van een rente voor hun bezittingen in
Lo 16. In dat schepenjaar inde deze de
achterstallige rente vervallen over de hele voorbije periode van 1489 tot en
met 1495, wat naadloos aansluit bij de renten, ononderbroken door zijn vader
Lodewijk geïnd, in de 31 jaar daaraan voorafgaand. Roeland overleed in de loop
der 1490'er jaren.
Hij werd zeer waarschijnlijk opgevolgd door zijn broer
Regnault, die we in de stadsrekeningen van Lo terugvinden als ontvanger van het
kapittel van St-Omaars, ononderbroken in de schepenjaren 1500-01 tot 1506-0717. Gezien de stadsrekeningen van Lo
ontbreken voor 1498 en 1499 kunnen we niet precies weten in welk jaar hij dit
van zijn broer Roeland overnam. Uit de cahiers bewaard gebleven te Saint-Omer
blijkt dat na 1508 een andere ontvanger optrad18.
Vader Lodewijk en zijn twee zoons hebben dus samen een halve eeuw het beheer
van de bezittingen van de abdij van St.-Omaars in Veurne-Ambacht waargenomen.
Wat bevat nu een dergelijke
rekening?
Als voorbeeld namen we
een van de oudste rekeningen nl. die beginnend in 1458. Zij omvat 10
dichtbeschreven folio's. De aanhef luidt als volgt:
In nomine domini amen. Compte que font et rendent
Loys Donche et Cristien Bampoel recepveurs et fremiers des rentes et revenues
appartenant aux fruis des dix prebendes a Alverinchem, Lampernisse etc.
commenchant l'an mil iiij.c Lviij et finissant audit jour l'an Lix et se fera le
dyt compte tant en recevpte comme en mises a le monnaie de Flandres compte pour
chaqune livre xx escalins monnaie detours (sic)
De rekening bevat talrijke namen van renteplichtigen,
soms met een aanduiding van verwantschap.
Een genealogie reconstrueren in de 15de eeuw is als
het samenstellen van een puzzel met erg kleine stukjes, die zelf nog eerst
moeten opgespoord worden en daarna, uit hun veelheid en hun voortdurende
confrontatie met elkaar, heel langzaam in elkaar kunnen geschoven worden. Het
vergt onvermijdelijk het maken van vele kleine hypothesen, die naarmate nieuwe
puzzelstukjes aangebracht worden, telkens opnieuw weer aan de hypotheses moeten
getoetst worden om na te gaan of zij die consolideren dan wel op losse
schroeven zetten.
Dergelijke rekeningen, die zeer veel namen bevatten
van inwoners en af en toe genealogische verbanden geven (door vader, broer of
echtgenoot te vermelden) kunnen hiertoe bijdragen. Het zijn zeker niet bronnen
die het meest direct bruikbaar zijn (dit is wel meer het geval met
leenverheffingen, denombrementenverzamelingen, leenregisters, wettelijke
passeringen en wezerijdokumenten (hoewel deze laatste twee voor de l5de eeuw
schaars zijn)) maar zij kunnen als toetssteen en voor het vinden van
bevestigingen, aanvullend best nog enige diensten bewijzen.
De rekening opent zonder verdere titel met een
opsomming van degenen die belast worden op het bezit van een manoir (vermoedelijk
moet hiermee niet een kasteel, maar gewoon een stenen huis begrepen worden,
anders zouden er wel erg veel kastelen in Alveringem gestaan hebben...).
Volgende personen worden vermeld:
Ydrop Bladelin le filz Franchois, Maroye de le Bourch
fille de Zeghelin de le Bourch (=van der Burch), de weduwe van Jehan Scadarts
(sur la plache d'Alver(ingem)), Maroye Meaux, de kinderen van Aumer (=Omaar) le
Wachtere, Jehan Suerlins, Wallewain Knibbe le filz Clay de kinderen van
Cornille Maes, (in de straat van de kerk van Alveringem die leidt naar St.Rijkers),
Jehan Reynbout, Richard Reynboud, Casin en Amand Alvisch, frères, bourgeois de
Furnes, Obrecht Colin, Franchois de Crane, Jeorge de le Bourch, Jehan volle,
Lamin Pau en Aumer Heyeneman p(res)b(it)re, Winoc Knibbe, de kinderen Aumer
Spind, Machart le Raet p(res)b(it)re, Ydier van den Walle bourgeois de Furnes,
de hoirs (erfgenamen) van Luc Hancque, Cristien Bampoel, de erfgenamen van
Willa(m)e Jorijs, de erfgenamen van Jehan de le Rue, Pietre Stasin van
Pollinchove, de weduwe en hoirs van Regnault Knibbe,
Zoals men bemerkt heeft de vertaler nogal de neiging
om voorzetsels in de familienamen mee te vertalen in het Frans, zoals le Raet
voor de Raet, le Cuppre voor De Cuppre, als de hele naam al niet vertaald is,
zoals in de le Bourg (van der Burch). Ook voornamen worden vertaald: Jeorge of
Georges voor Joris, maar soms vergeet hij het wel eens, zoals in Pietre, waar
er meestal Pierre van gemaakt wordt. Er was toen blijkbaar nog geen onderscheid
tussen het vrouwelijk en het mannelijk genus van het lidwoord, zodat de dochter
van Ydrop Badelins, (de ‘l’ in de familienaam Bladelin wordt ook vaak
vergeten...) als le fille geciteerd wordt en ook bij de vermelding van haar
man, als ledit fille espeuse a Regnault van Utenbrouke.
fo 2v: Recevpte du four..
Hier vinden we: Gregoire Knibbe, Gadifer Knibbe, de
weduwe en hoirs Jehan Heynerijcx
Recevpte de l'avaine de hoirs van Jehan David, Ydrop
Bladelin le filz Franchois, Jehan de Pollinchove, de hoirs Regnault Knibbe,
Obrecht Colin, le fille de Ydrop Badelins, (de ‘l’ in Bladelin wordt
vergeten...) ledit fille espeuse a Regnault van Utenbrouke, de weduwe en hoirs
van George Diemaere, Wallewain Knibbe, Katheline vefve de Clay le Cuppre, de
weduwe en hoirs van Clay le Cuppre, Clay Cappoen, Gille Jorijs, sire Mackart le
Raet, Baud(ouin) de le Peene, de hoirs Luc Hancque, de weduwe en hoirs van
Jehan Heynerycx, Gregoire Knibbe, Gadifer Knibbe, le vefve (weduwe) Cornelis
Maes, Pierre Colin, Elizabeth van den Walle, Margriete fe(m)me de Jehan de
Pollincove, Georges de le Bourc, Jaque Butsijn, Pietre Stasin.
fo 3v: Recevpte des dismes d'Alveri(ngem)
(een verzamelpost, er worden geen individuele
rentebetalers vermeld)
fo 4 : Recevpte de petites
dismes
Martin Riel bouchier et bourgeois de St.Aum(er).
fo 4v: Recevpte de I'A(m)prenesse (sic) et des
aultres proches est ascavoir Oestkercke, Oudecapelle et Zoutenay
Hier wordt het klooster van Cambron en Haynau vermeld
en de pastoors van Oudecapelle, Zoutenaaie en Oostkerke, maar verder geen
individuele rentebetalers.
fo 5 : Recevpte de le hernesse gesant en le proche
de Oostkerke Franchois Robard, table des povres de Stuvenkerke, Pierre le
Pelgher, Hustin Belle, Therry de le Tour, het kind van Clay de Jonckheere,
Pierre Colin, de kinderen van Pieter van Ezene, Jehan Pallinc, Cristien
Donterclocq, Katheline femme Brixe Paux, Jehan Rauleder, Willaeme van den
Walle, Lencheval Loetin, Willame Rikewarts, Jehan de Larke, Franchois Quationc,
Isabelle Bels, de weduwe en hoirs van Jehan Wauters, de dame de le Ueere, Pietre
le Pelgher, Jehan Scelewaert, Philipp Donterclocq, Gille le Messere, Willame
van den Walle, Philippe Ueyse, de vrouw van Josse de Caloene, Cornille Goessin,
Willame Rikewaert, Ha.. le Brune, Jehan Rauleders, Jaque Laem... Jehan Bampoel,
Richard Jorijs, Willame Rikewarts, Mahieu le Dromere
fo 6 : Recevpte des dismes de l'Ampernesse et des
autres iij proches qontenant xxviij angles vendus a sr. Jaque Crepin cure de Oestkerke le tamps et espace de iij
ans dont l'an de ce compte est le seconde anée
Hier vinden we vooral topografische gegevens
betreffende Lampernisse en de drie ermeegaande parochies:
Jaque Crepin
- pour l'angle nomme den
Badelinshouc. - pour l'angle nomme den Crushouc
- pour v angles l'un nomme
Shazenhouc, le second den Baudinshouc, le tierch den Ravenaere, t'Ymene ende
tKaeslant, le quart den Poerterschouc, le quint nomme den Heynerijcxhouc
- pour vij angles nomme den
Knoestelhouc, den Kercofhouc, de Cleene Cripshouc, de Groete Cripshouc, de
Quatjongheshouc, de Oesthouc, de Ymeenehouc
- pour deux angles l'un nomme de
Colaertshouc, l'aultre, tBeershouxkin
quatre angles de Groete Bien
Acquishouc, de Cleene Bien Acquishouc, de Scildershouc, de Lantmetershouc
- pour l'angle nomme de Goudin
houc,
- pour v angles nommés de
Rolantshouc, de Kercofhouc, den Scorfhouc, de Sanekinshouc, den Planthouc.
Veel van deze hoeken zijn nog terug te vinden op de
kaart van Lampernisse in: Dit is West-Vlaanderen (Brugge, 1960, 3 delen): daar
zien we volgende hoeken vermeld: Bladdelijnse hoek, Knoeselhoek, Poortershoek,
Planthoek, Kwade Jongershoek, Kleine en Grote Kripshoek, de Bien Acquithoek,
Gouden hoek, Vlahoek, Zanekinshoek, Landmetershoek, Schildershoek, Schewege,
Raverinske hoek en Lettenburg.
fo 6v: Recevpte des petites
dismes (verzamelpost)
fo 7 : Mises faites sur le
recevpte precedente
uitgaven, onkosten voor deze rekening: aan de
pastoor, de schepenen van Alveringem, de ontvangers en aan Jehan Franchois
o.a. pour faire les comptes en double et livrer le papier en nog aan Loys
Donche pour le pension de l'omme a loy.
fo 7v: Aultres mises sur le recevpte idem,
voornamelijk i.v.m. Lampernisse
fo 8 : Recevpte appartenant au reman.. en ledite
ville d'Alveringhem de weduwe en hoirs van George Diemaere en de hoirs van
Jaque le Bourch le vielg
fo 8v: Recevpte de reliefs et d'aultres droitures
pour L'an de ce compte de weduwe en hoirs van Regnault Knibbe, de hoirs van
Jehan de Pollinchove
fo 9 : Recevpte en Adinkerke appartenant a le
bourse ...
Hoste Wentin, Jaque Tac en Lamprenesse
Recepte des dismes qontenant douze angles
verzamelpost, de hoeken worden niet vermeld
fo 9v: Recevpte de petites
dimes
Lauwere de Kerel
Mises sur che recevptes
uitgaven: salaris van ontvangers
fo 10: Recevpte appartenant aux
a..muss..
Maroye fille a Ydrop Bladelins,
Clay Cappoen le filx Jacques, de hoirs Luc Hancque, de hoirs Clay le Cuppre,
Haspart de Brune filz bastard de Josse le Brune, Franchois Quaetjonc,
1 Van de tijdens de Franse
revolutionaire tijd afgeschafte religieuze instellingen in West-Vl. werd het
archief overgebracht naar de abdij van Ter Doest in Brugge, thans het
Groot-Seminarie, Potterielei, waar het nog steeds bewaard is, zij het dat de
inventarisatie dikwijls summier of van voorlopige aard is. Een uitstekend
overzicht van de abdijen en kloosters in de provincie WestVlaanderen, hun
geschiedenis, maar ook de beschrijving van hun archief vindt men in: Centre
National de Recherche d'Histoire Religieuse, Monasticon Belge, Tome III,
Province de Flandre Occidentale, (Liège, 1960, 1966, 1974, 1978) vier volumes.
Voor een totaaloverzicht van alle kloosters en abdijen in West-Vlaanderen uit
alle tijden, met bibliografie, gerangschikt volgens plaatsnaam van vestiging,
zie: M. NUYTTENS, Repertorium van kloosters en abdijen in West-Vlaanderen
(Algemeen Rijksarchief, publicatie 2613, 1997). Om wegwijs te geraken uit de
vele ordes in abdijen en kloosters is een uitstekend overzicht: R. DE CLERCQ,
De seculiere geestelijken, mannelijke en vrouwelijke religieuzen te lande, in:
Flandria Nostra, ons land en ons volk, zijn standen en beroepen door de tijden
heen, (Antwerpen, 1957-1960) 5 delen, dl. IV pp. 9-212.
2 Zie de uitgave van
deze Annalen door Heemkring Bachten de Kupe, Documenten Nr. 3/V.-1, oktober
1964
3 Zie ook: G. DECUYPER, De abdij- en
herenhuizen te Alveringem, in: Bachten de Kupe, 7de jrg. nr. 6 (dec. 1965),
pp. 145-159.
4 F. BECUWE, Het buitengoed van het
kapittel van Sint-Omaars te Alveringem, in: Biekorf, 1987,pp.273-280.
5 In tegenstelling tot wat dhr M.
NUYTTENS erover schrijft in zijn artikel: Historisch en genealogisch
onderzoek in en over de Franse Nederlanden, in: Vlaamse Stam, jrg. 34, nr. 5
(mei 1988) pp. 169178 op p. 175: in de praktijk onbeheerd en dus in feite niet
raadpleegbaar, konden we wel zonder probleem stukken aanvragen en raadplegen.
Misschien schetst hij zijn ervaringen van enkele jaren geleden. Uit het verhaal
van een andere landgenoot-bezoeker van dit archief, die we ter plaatse ontmoetten,
konden we opmaken dat er in de voorbije jaren toch nogal wat moeilijkheden voor
de raadpleging geweest waren, die nu althans tot het verleden behoren.
6 Ms 932 van de bibliotheek: A. GIRY,
Evêché,officialité et r.
7 Deze copie dactylographiée met
aanvullingen werd samengesteld door Alain Derville, professeur d'histoire
médiévale de 1'Université Lille III.
8 Volgens een 19de-eeuwse
handgeschreven genealogie in het archief der Jezuïeten te Heverlee. De tekst
van dit grafschrift hebben we evenwel nog niet kunnen terugvinden in de
nochtans talrijke geraadpleegde grafschriftenverzamelingen in diverse depots.
9 Een hernesse is een
gemeenschappelijke weide en graasland, waar een aantal personen recht hadden om
- mits betaling van een rente - hun vee, maar vooral schapen te laten grazen.
Het bestuur werd waargenomen door een baljuw bijgestaan door 5 heerders of
gezworenen.
10 Brugge, Rijksarchief,
Verzameling Charters met blauw nr., 2708. Het charter betreft de verkoop van
37 gemeten grond gelegen in Oostkerke aan Robert le Gaugeur, verkoop welke
geschiedde voor de baljuw Lodewijk Donche en de heerden Pieter Quaionc,
Niklaas Delboud en Pieter de Scovere.
11 Brugge, Archief Groot Seminarie, St.Pietersabdij Lo,
charterverzameling, jaar 1472.
12 Brugge, Rijksarchief, Leenhof Burg van Veurne, 65.
Het betreft een recipisse van een denombrement, ingediend door Jozef
Paeldinck, die 2 achterlenen houdt van Dame Jacquemine vander Capelle.
13 Zie bv. de rekening
1467-68:
fo 12 : A Loys Donche pour sa pension destre ho(m)me
a loy du chap(itre) - vj Lb.
Aud(it) Loys pour son salaire davoir fait la rechepte
dud(it) Alverg(em) et des autres quatres p(a)ro(i)ches et de Adinkerke Lxxij Lb
dont on applique ycy xxxij Lb.
fo 13 : (Lampernisse) Aurecepveur Loys Donzepour son salaire davoirfaicte
cest rechepte et livré largent a SaintAumer Lxxij Lb dont on applique ycy - xx
Lb.
fo 15 : (Adinkerke) A Loy Donze recepv(eu)r pour ses gaigez de recepveur
toute les rentes et dismes des six p(a)ro(i)ches et livrer largent a
Saint-Aumer a ses perilz et despenses Lxxij Lb flamans dont on applique ycy -
xx Lb.
14 Brussel,
Algemeen Rijksarchief, Rekenkamer, nrs. 35911 tot 35974, met enkel de
ontbrekende (aanvangs)jaren (nieuwe stijl) 1437, 1442, 1486, 1498 en 1499.
15 Brussel, Algemeen Rijksarchief, Rekenkamer, stadsrekeningen Lo, de
vervaldag van de rente is steeds Baefmesse (St-Bavo = 1 okt.), nrs. :
-35938 (1457-58) fo
11 : hij int de renten vervallen op Baefmesse 1456,7,8.
In de rek. 35940
(145960) waar we normaal de inning over de jaren 1459,60 zouden verwachten,
vinden we geen dergelijke post. Een foutje in de rekening of vergat Lodewijk
Donche die twee jaren toen hij zich in 1468 opnieuw presenteerde ?
-35946 (1467-68) fo
8v : hij int de renten vervalle~ op Baefmesse 1461,2,3,4,5,6,7 -35951 (1472-73)
fo 9: hij int de renten vervallen op Baefmesse 1468,9,70,1 ,2,
-35955 (1476-77) fo
12: hij int de renten vervallei op Baefmesse 1473,4,5,6,
-35959 (1481-82) fo
l0v: hij int de renten vervallen op Baefmesse 1477,8,9,80,
-35962 (1484-85) fo
l0v: hij int de renten vervallen op Baefmesse 1481,2,3,4, (de rekening 1485-86
ontbreekt)
-35964 (1487-88)fo
11v: hij int de rente vervallen op Baefmesse 1487 -35965 ( 1488-89) fo 9: hij
int de rente vervallen op Baefmesse 1488.
In de oudste rekeningen vinden we waaruit deze rente bestaat: een cappoen
ende een penninc sjaers: wellicht werd die kapoen (gecastreerde haan) al lang
niet meer in nature betaald, maar hiervoor de waarde van 4 schellingen
gegeven, de penninc is gelijk aan 1 denier parisis: voor de rekening van 1458
dus (over drie jaren): 12 schellingen 3 denieren. We vinden geen vermeldingen
van die rente in de stadsrekeningen van Lo vóór het schepenjaar 1458-58.
16 Brussel, Algemeen Rijksarchief, Rekenkamer,
stadsrekenigen Lo, 35970 (schepenjaar 1495-96) fo l0v.
17 Brussel, Algemeen Rijksarchief, Rekenkamer,
stadsrekeningen Lo, nrs. 35973 tot/met 35979 resp. fo’s 7v, 9v, l0v, 10, 9v, 9
en 8
18 nr. II.G.3577, een
cahier uit 1508 (in het latijn, zonder kaftblad) vermeld op fo 25: Reginaldus
Donche r(e)c(ep)tor. In latere cahiers komt een Anthonis de Luxemburg voor als
opmaker van de rekeningen. In de stadsrekeningen van Lo kunnen we hiervan
geen bevestiging vinden omdat in de schepenjaren na 1506-07 helaas geen naam
meer van de ontvanger vermeld wordt, enkel de ontvangst wordt geboekt.